Volgens de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona van 10 september 2026 in zaak C-458/25 mag België een privaatrechtelijke school die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekt niet vrijstellen van administratieve geldboeten onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het begrip “overheidsinstanties en overheidsorganen” in artikel 83, lid 7 AVG is een Unierechtelijk begrip dat enkel entiteiten met bevoegdheden van openbaar gezag dekt. De zaak draait om een enquête over het welbevinden van leerlingen die een Kempense scholengroep via Smartschool afnam, en om de vraag of de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) daarvoor een boete van 1.000 euro mocht opleggen. Het Hof van Justitie moet nog oordelen.
In het kort:
- De advocaat-generaal adviseert het Hof van Justitie om te oordelen dat artikel 83, lid 7 AVG zich verzet tegen een nationale regel die de toezichthouder verbiedt een geldboete op te leggen aan privaatrechtelijke rechtspersonen die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken.
- Beslissend is volgens hem of een entiteit bevoegdheden van openbaar gezag uitoefent; een taak van algemeen belang vervullen en subsidies ontvangen volstaat niet, ook niet wanneer die subsidies meer dan de helft van de financiering uitmaken.
- Volgt het Hof dit advies, dan staat de Belgische vrijstelling in artikel 221, § 2 van de Gegevensbeschermingswet op de helling voor honderden gesubsidieerde vzw’s, en niet alleen in het onderwijs.
De feiten
Op 22 juli 2019 diende de vader van een leerling een klacht in bij de GBA tegen een secundaire school van de Onderwijsgroep Zusters der Christelijke Scholen Zuid-Kempen vzw. De school had via het digitale platform Smartschool een enquête over het welbevinden van de leerlingen afgenomen. De ouders waren niet vooraf geïnformeerd, hun toestemming was niet gevraagd, de enquête was niet anoniem en er was geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitgevoerd. De volledige voorgeschiedenis van dit dossier bespraken wij eerder in onze blog over de vraag of een school een boete kan krijgen wegens overtreding van de GDPR. Hier volstaat een korte herinnering.
De Geschillenkamer van de GBA stelde op 16 juni 2020 vier inbreuken op de AVG vast en legde een boete van 2.000 euro op (GBA 16 juni 2020, beslissing ten gronde nr. 31/2020). Het Marktenhof vond die beslissing onvoldoende gemotiveerd over de vrijstelling voor overheden en stuurde het boeteluik terug (Marktenhof 18 november 2020, 2020/AR/990). De GBA motiveerde opnieuw en verlaagde de boete tot 1.000 euro (GBA 15 maart 2021, beslissing ten gronde nr. 36/2021). Het Marktenhof vernietigde die boete (Marktenhof 6 oktober 2021, 2021/AR/576), het Hof van Cassatie verbrak dat arrest (Cass. 9 januari 2023, C.22.0162.N), en een anders samengesteld Marktenhof vernietigde de boete opnieuw (Marktenhof 27 februari 2024, 2023/AR/1186).
Bij een tweede voorziening in cassatie stelde het Hof van Cassatie op 27 juni 2025 een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (Cass. 27 juni 2025, C.24.0186.N). De vraag luidt, samengevat, of artikel 83, lid 7 Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR) zich verzet tegen een nationale regeling waarbij de toezichthouder geen administratieve geldboete kan opleggen aan privaatrechtelijke rechtspersonen die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken. Zes jaar na de klacht ligt de zaak dus in Luxemburg, met een inzet van 1.000 euro en een principe dat veel verder reikt dan één school.
De conclusie van de advocaat-generaal
Een conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk juridisch advies aan het Hof van Justitie dat het Hof niet bindt, maar dat het in de meeste zaken volgt. De advocaat-generaal beantwoordt de vraag in drie stappen: wie bepaalt wat een overheidsinstantie is, wat het begrip dan inhoudt, en of een gesubsidieerde vrije school eronder valt.
Het begrip overheidsinstantie is een autonoom Unierechtelijk begrip
Artikel 83, lid 7 AVG laat elke lidstaat toe om regels vast te stellen “betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen”. De verordening definieert die twee begrippen nergens. België en de scholengroep leidden daaruit af dat elke lidstaat zelf mag bepalen wie een overheidsinstantie is. De GBA en de Europese Commissie hielden voor dat het om een autonoom begrip gaat dat in de hele Unie eenvormig moet worden uitgelegd.
De advocaat-generaal kiest voor het tweede. Een autonoom Unierechtelijk begrip is een begrip dat het Hof van Justitie zelf uitlegt, los van de betekenis die het in het recht van een lidstaat heeft. Hij geeft daarvoor zes redenen. Artikel 83, lid 7 verwijst niet naar het nationale recht. De beoordelingsmarge van de lidstaat slaat enkel op de vraag of en in hoeverre er boetes komen, niet op de vraag wie overheidsinstantie is. De Uniewetgever heeft de sancties met de AVG bewust geharmoniseerd, terwijl zij onder de vroegere richtlijn 95/46 grotendeels nationaal waren. Het begrip komt in meer dan tien bepalingen van de AVG voor. Het Hof heeft andere sleutelbegrippen van de AVG, zoals het begrip schade in artikel 82, ook al autonoom uitgelegd. En de lidstaten mogen volgens het arrest Nacionalinis visuomenės sveikatos centras (HvJ 5 december 2023, C-683/21) de materiële voorwaarden voor het opleggen van geldboeten niet zelf bepalen.
De advocaat-generaal voegt een praktisch argument toe. Mocht elke lidstaat het begrip zelf invullen, dan zou een loutere wilsuiting van de nationale wetgever volstaan om entiteiten aan de boetes te onttrekken, ook wanneer hun aard niets te maken heeft met de reden voor de uitzondering.
Een overheidsinstantie oefent bevoegdheden van openbaar gezag uit
Wat houdt het begrip dan in? De advocaat-generaal leest artikel 83, lid 7 in samenhang met de overwegingen 10, 31 en 45 van de AVG. Die overwegingen maken een onderscheid tussen “de vervulling van een taak van algemeen belang” en “de uitoefening van het openbaar gezag”. Een taak van algemeen belang kan volgens overweging 45 ook aan een privaatrechtelijke persoon worden toevertrouwd, zoals een beroepsvereniging. De uitoefening van openbaar gezag is voorbehouden aan overheidsinstanties en andere publiekrechtelijke personen. Daaruit leidt hij af dat het begrip in artikel 83, lid 7 enkel publiekrechtelijke instanties of organen dekt die belast zijn met de uitoefening van openbaar gezag.
Hij toetst die lezing aan andere gebieden van het Unierecht en stelt vast dat het begrip daar sterk uiteenlopende betekenissen heeft. In het overheidsopdrachtenrecht is de definitie van “publiekrechtelijke instelling” in Richtlijn 2014/24/EU ruim en dekt zij ook privaatrechtelijke verenigingen die door de overheid worden gefinancierd. In het btw-recht is de uitsluiting van publiekrechtelijke lichamen in artikel 13 van Richtlijn 2006/112/EG volgens het arrest Saudaçor (HvJ 29 oktober 2015, C-174/14) juist eng, met de nadruk op de uitoefening van openbaar gezag. Omdat artikel 83, lid 7 een uitzondering vormt op de geharmoniseerde sanctieregeling, moet het volgens de advocaat-generaal strikt worden uitgelegd, en dus dichter bij de btw-lezing dan bij de aanbestedingslezing.
Het voorstel van de Commissie om de rechtspraak over de rechtstreekse werking van richtlijnen te gebruiken, met het arrest Foster (HvJ 12 juli 1990, C-188/89) als bekendste voorbeeld, wijst hij af. Die rechtspraak dient om te bepalen tegen wie een burger zich op een niet-omgezette richtlijn kan beroepen, en dat is een heel andere vraag dan wie van een boete wordt vrijgesteld.
Een gesubsidieerde vrije school oefent geen openbaar gezag uit
De advocaat-generaal past dit toe op de scholengroep, onder voorbehoud van de feitelijke beoordeling door het Hof van Cassatie. De vzw maakt geen deel uit van de staat in ruime zin en beschikt niet over bijzondere bevoegdheden van openbaar gezag. Dat de Vlaamse overheid toezicht houdt op de eindtermen, onderscheidt haar niet van niet-gesubsidieerde privéscholen. Dat zij diploma’s mag uitreiken, wijst volgens hem op een taak van algemeen belang, niet op openbaar gezag; de GBA gaf ter zitting aan dat ook niet-gesubsidieerde instellingen die bevoegdheid hebben. Hij herinnert eraan dat het Hof al in het arrest Commissie/Luxemburg (HvJ 2 juli 1996, C-473/93) oordeelde dat onderwijsberoepen geen deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden.
De subsidies volstaan evenmin. Ter zitting werd gesproken van “meer dan 50 procent” overheidsfinanciering, zonder precieze cijfers, en de Belgische regering erkende dat de school ook schoolgeld, giften en verkoopopbrengsten ontvangt en reclame kan maken. De scholengroep beriep zich op het arrest Escuelas Pías (HvJ 27 juni 2017, C-74/16), waarin het Hof gesubsidieerd onderwijs als niet-economische activiteit aanmerkte voor het staatssteunrecht. De advocaat-generaal antwoordt dat uit dat arrest niet volgt dat een particuliere onderwijsinstelling door overheidsfinanciering alleen een overheidsinstantie wordt.
Ten slotte weegt hij het doel van de uitzondering. De vrijstelling beschermt de overheidsfinanciën en de continuïteit van de openbare dienst. Die doelen vragen volgens hem niet dat de boetebevoegdheid volledig verdwijnt. Artikel 83, lid 2 AVG verplicht de toezichthouder al om de boete af te stemmen op de omstandigheden, en de uiteindelijke boete van 1.000 euro bracht de continuïteit van de school geenszins in gevaar. Een volledige vrijstelling zou daarentegen betekenen dat de GBA bij een inbreuk op de rechten van leerlingen enkel nog een waarschuwing of berisping kan geven. Hij adviseert het Hof daarom om te antwoorden dat artikel 83, lid 7 AVG zich verzet tegen een nationale regeling die de toezichthouder niet toestaat een geldboete op te leggen aan privaatrechtelijke rechtspersonen die vrij onderwijs verstrekken en daarvoor overheidssubsidies ontvangen.
De bijzondere bescherming van kinderen, waarop het Hof van Cassatie in zijn vraag wees, speelt in de redenering geen rol. Een entiteit is overheidsinstantie op grond van haar aard, niet op grond van wie het slachtoffer van haar inbreuk is.
Juridische analyse en duiding
Waarom de Belgische definitie van “overheid” nu in het vizier komt
De Belgische wetgever heeft artikel 83, lid 7 AVG omgezet in artikel 221, § 2 van de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Gegevensbeschermingswet): artikel 83 AVG is niet van toepassing op “de overheid”, tenzij het gaat om een publiekrechtelijke rechtspersoon die goederen of diensten aanbiedt op een markt. Wat “overheid” is, staat in artikel 5 van dezelfde wet. Die definitie is letterlijk geënt op het overheidsopdrachtenrecht: naast de Staat, de deelstaten en de publiekrechtelijke rechtspersonen vallen er ook personen onder, “ongeacht hun vorm en aard”, die zijn opgericht voor een behoefte van algemeen belang, rechtspersoonlijkheid hebben en in hoofdzaak door de overheid worden gefinancierd of gecontroleerd.
Daar zit de kern van het probleem. De advocaat-generaal noemt de aanbestedingsdefinitie uitdrukkelijk als voorbeeld van de ruime lezing die voor artikel 83, lid 7 niet past. De Belgische wetgever heeft dus net het model gekozen dat de advocaat-generaal afwijst. Volgt het Hof, dan is niet enkel de toepassing op één school in strijd met de AVG, maar de definitie zelf, voor zover zij privaatrechtelijke rechtspersonen zonder bevoegdheden van openbaar gezag als overheid aanmerkt. De GBA had dat trouwens al zo gelezen in haar tweede beslissing van 15 maart 2021: de school is wel een overheid in de zin van artikel 5 van de Gegevensbeschermingswet, maar geen overheidsinstantie in de zin van artikel 83, lid 7 AVG.
Het Grondwettelijk Hof heeft artikel 221, § 2 in 2021 conform de Belgische Grondwet verklaard (GwH 14 januari 2021, nr. 3/2021). Het Hof aanvaardde daar de doelstelling van de wetgever, de continuïteit van de openbare dienstverlening, als wettig, en verwees naar de parlementaire voorbereiding van de wet. Dat arrest zegt echter niets over de verenigbaarheid met de AVG zelf, en de advocaat-generaal ontkracht precies het continuïteitsargument: de proportionaliteitstoets van artikel 83, lid 2 AVG beschermt de continuïteit al, zonder dat de boete als instrument moet verdwijnen. Dat de vrijstelling louter de overheidsfinanciën spaart, aanvaardt hij evenmin als voldoende reden, met een verwijzing naar de vaste rechtspraak dat zuiver economische motieven geen dwingende reden van algemeen belang vormen.
De tegenstem: de Groep 29 en het Marktenhof zagen dit anders
De scholengroep stond niet alleen met haar lezing. De Groep 29, de voorloper van het Europees Comité voor gegevensbescherming, schreef in haar richtsnoeren over de functionaris voor gegevensbescherming (WP 243 rev.01) dat de AVG het begrip overheidsinstantie of overheidsorgaan niet definieert en dat het “in de nationale wetgeving bepaald dient te worden”. Die richtsnoeren zijn door het Europees Comité bekrachtigd en worden door toezichthouders in de hele Unie toegepast. Overweging 154 AVG verwijst voor het recht op toegang tot officiële documenten bovendien uitdrukkelijk naar het lidstatelijke recht om te bepalen welke organen eronder vallen. Het Marktenhof oordeelde op 27 februari 2024 in dezelfde lijn: een gesubsidieerde vrije school kon functioneel als overheidsorgaan in de zin van de AVG worden gezien, zodat de Belgische vrijstelling niet met het Unierecht botste.
De advocaat-generaal weegt die argumenten en zet ze opzij. De richtsnoeren gaan over artikel 37 AVG, de verplichte aanstelling van een functionaris, en voor die verplichting is een ruime nationale invulling onschadelijk: meer entiteiten die een functionaris moeten aanstellen, betekent meer bescherming. Voor artikel 83, lid 7 werkt een ruime invulling in de omgekeerde richting: meer entiteiten die aan de boetes ontsnappen, betekent minder bescherming. Overweging 154 beperkt hij tot artikel 86 AVG. Dat is een verdedigbare maar niet dwingende lezing. Wie de tekst van de verordening leest, ziet nergens dat hetzelfde begrip in artikel 37 nationaal en in artikel 83 Unierechtelijk zou zijn. Het sterkste argument voor de advocaat-generaal is uiteindelijk niet de tekst maar het systeem: het arrest Deutsche Wohnen (HvJ 5 december 2023, C-807/21) noemt de geldboeten een sleutelelement van de handhaving van de AVG, en een uitzondering op een sleutelelement wordt dor het Hof van Justitie eng gelezen.
Ook de functionele lezing van het Marktenhof houdt hij niet over. Wie de Foster-criteria op de school toepast, komt inderdaad ver: een taak van algemeen belang, onder toezicht van de overheid, met de bevoegdheid om diploma’s uit te reiken. De advocaat-generaal antwoordt dat die criteria voor een ander probleem zijn ontwikkeld en dat een school over geen enkele bevoegdheid beschikt die verder gaat dan wat tussen particulieren geldt. Diploma’s uitreiken doen niet-gesubsidieerde scholen ook. Dat laatste feitelijke argument, dat de GBA pas ter zitting aanbracht en dat de scholengroep bij afwezigheid niet kon weerleggen, weegt in de conclusie zwaarder dan de lezer op het eerste gezicht zou denken.
Wat nog open ligt: het Hof, de Belgische wetgever en de andere sectoren
Een conclusie is geen arrest. Het Hof volgt zijn advocaat-generaal vaak, maar niet altijd, en de Belgische regering en de scholengroep hebben in hun schriftelijke opmerkingen een tegengestelde lezing verdedigd. Het arrest wordt in de loop van 2027 verwacht; daarna moet het Hof van Cassatie de zaak nog afhandelen en, bij verbreking, een derde Marktenhof laten oordelen. Een dossier dat met een klacht van 22 juli 2019 begon, zal dan acht jaar hebben geduurd voor een boete van 1.000 euro.
Volgt het Hof de conclusie, dan wacht de Belgische wetgever werk. Artikel 5 van de Gegevensbeschermingswet zou moeten worden herschreven zodat enkel entiteiten met bevoegdheden van openbaar gezag onder de vrijstelling vallen. Intussen zal de GBA artikel 221, § 2 conform de AVG moeten lezen en dus boetes kunnen opleggen aan elke privaatrechtelijke rechtspersoon, hoe zwaar die ook door de overheid wordt gefinancierd. De advocaat-generaal noemt zelf de sectoren waar dat het meest zal wegen: gezondheidszorg, onderwijs en maatschappelijke dienstverlening, omdat daar veel gevoelige gegevens en gegevens van kwetsbare personen worden verwerkt. In België gaat het dan om ziekenhuizen in vzw-vorm, woonzorgcentra, centra voor algemeen welzijnswerk, voorzieningen voor personen met een handicap en culturele instellingen die vandaag onder de definitie van artikel 5 vallen.
Wat de conclusie niet beantwoordt, is de vraag die de GBA in haar eerste cassatievoorziening had opgeworpen: of een gesubsidieerde school “goederen of diensten aanbiedt op een markt” in de zin van artikel 221, § 2 zelf. Die Belgische uitzondering geldt naar de letter enkel voor publiekrechtelijke rechtspersonen. De advocaat-generaal laat haar volledig links liggen, omdat zijn antwoord de vraag overbodig maakt: wie geen overheidsinstantie is in de zin van de AVG, valt hoe dan ook onder artikel 83.
Wat betekent dit concreet?
Voor schoolbesturen en scholengroepen. De boete van 1.000 euro in dit dossier is klein, maar het principe is groot. Een schoolbestuur kan er niet langer op rekenen dat de vrijstelling van artikel 221, § 2 van de Gegevensbeschermingswet standhoudt. Dat maakt de klassieke aandachtspunten uit dit dossier opnieuw actueel: een rechtsgrond voor elke bevraging van leerlingen, de toestemming van de ouders wanneer een dienst van de informatiemaatschappij aan kinderen onder de leeftijdsgrens wordt aangeboden, anonieme enquêtes waar het doel dat toelaat, en een gegevensbeschermingseffectbeoordeling vóór een nieuw leerlingvolgsysteem of welzijnsplatform wordt uitgerold. Twijfelt u of uw leerlingenbegeleiding, uw communicatieplatform of een geplande bevraging op een geldige rechtsgrond steunt, dan is die rechtsgrond het eerste wat wij voor u nagaan.
Voor gesubsidieerde vzw’s in zorg, welzijn en cultuur. Wie vandaag door de overheid wordt gefinancierd en zich daardoor als “overheid” onder de vrijstelling rekent, doet er goed aan die positie te herbekijken. De vraag is niet langer hoeveel subsidie de organisatie ontvangt, maar of zij bevoegdheden van openbaar gezag uitoefent. Voor de meeste vzw’s is het antwoord nee. Voor hen geldt dan de volledige boeteregeling van artikel 83 AVG, met bovengrenzen van 10 en 20 miljoen euro, al zal de proportionaliteitstoets van artikel 83, lid 2 in de praktijk tot veel lagere bedragen leiden. Onze eerdere blog over de samenwerkingsplicht met de GBA toont dat de Geschillenkamer ook kleine vzw’s al beboet. Wie zijn positie onder de AVG wil laten toetsen, kan zich daarvoor laten bijstaan door een advocaat gespecialiseerd in de AVG/GDPR.
Voor de GBA en voor wie een boete aanvecht. Zolang het arrest van het Hof van Justitie er niet is, blijft artikel 221, § 2 gelden en blijft het Marktenhof zijn lezing van 27 februari 2024 verdedigen. Een gesubsidieerde vzw die vandaag een boete krijgt, kan de vrijstelling dus nog inroepen, maar moet er rekening mee houden dat het Marktenhof of het Hof van Cassatie de zaak zal aanhouden tot het Hof van Justitie heeft gesproken. Omgekeerd kan de GBA in nieuwe dossiers tegen gesubsidieerde instellingen nu al motiveren waarom de vrijstelling niet speelt, zoals zij in 2021 al deed. Wie een boete aanvecht, doet er intussen goed aan ook de proportionaliteit te betwisten: zoals onze blog over de symbolische GDPR-boete van 1 euro toont, heeft het Marktenhof de bevoegdheid om een boete drastisch te herleiden.
Voor ouders en betrokkenen. De conclusie bevestigt dat de klacht van één ouder in 2019 tot een principiële uitspraak kan leiden. Ouders die vaststellen dat een school gegevens van hun kind verwerkt zonder informatie of toestemming, kunnen daarover een klacht indienen bij de GBA. Voor het overige blijven de corrigerende maatregelen van artikel 58, lid 2 AVG, zoals een bevel om de verwerking in overeenstemming te brengen, hoe dan ook beschikbaar, ook tegen echte overheidsinstanties.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Kan een vzw met overheidssubsidies een GDPR-boete krijgen?
Volgens de advocaat-generaal wel. Subsidies ontvangen en een taak van algemeen belang vervullen volstaan niet om als overheidsinstantie in de zin van artikel 83, lid 7 AVG te gelden. Enkel entiteiten die bevoegdheden van openbaar gezag uitoefenen, kunnen door een lidstaat van boetes worden vrijgesteld. Het Hof van Justitie moet dit nog bevestigen, en tot dan blijft de Belgische vrijstelling in artikel 221, § 2 van de Gegevensbeschermingswet formeel gelden.
Valt mijn school onder de vrijstelling van GDPR-boetes voor de overheid?
Vandaag wel, op grond van artikel 5 en artikel 221, § 2 van de Gegevensbeschermingswet, die gesubsidieerde vrije scholen als overheid aanmerken. Volgt het Hof van Justitie zijn advocaat-generaal, dan geldt die vrijstelling niet langer voor privaatrechtelijke schoolbesturen, omdat zij geen openbaar gezag uitoefenen. Officiële scholen van gemeenten, provincies of het gemeenschapsonderwijs blijven wel publiekrechtelijke overheden en behouden de vrijstelling.
Is een conclusie van de advocaat-generaal bindend?
Nee. De conclusie is een onafhankelijk advies aan het Hof van Justitie. Het Hof volgt zijn advocaat-generaal in de meeste zaken, maar kan er van afwijken. Het arrest in zaak C-458/25 wordt in de loop van 2027 verwacht. Pas daarna hakt het Hof van Cassatie de Belgische zaak door, en zo nodig volgt nog een derde beoordeling door het Marktenhof.
Welke sancties kan de GBA opleggen aan een echte overheidsinstantie?
De vrijstelling van artikel 221, § 2 van de Gegevensbeschermingswet slaat enkel op de administratieve geldboete. De andere corrigerende maatregelen van artikel 58, lid 2 AVG blijven volledig beschikbaar: een waarschuwing, een berisping, een bevel om een verzoek van een betrokkene in te willigen, een bevel om de verwerking in overeenstemming te brengen, een tijdelijk of definitief verwerkingsverbod, en de bekendmaking van de beslissing.
Conclusie
De advocaat-generaal adviseert het Hof van Justitie om de Belgische vrijstelling van GDPR-boetes voor gesubsidieerde vrije scholen strijdig te verklaren met artikel 83, lid 7 AVG. Overheidsinstantie is een Unierechtelijk begrip, en het dekt enkel wie openbaar gezag uitoefent. Volgt het Hof dat advies, dan verliest in België een hele reeks gesubsidieerde vzw’s in onderwijs, zorg, welzijn en cultuur de bescherming die de wetgever hen in 2018 gaf, en zal artikel 5 van de Gegevensbeschermingswet moeten worden herschreven.
ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden schoolbesturen en gesubsidieerde organisaties bij het bepalen van hun positie onder de Belgische gegevensbeschermingsregels, bij de opzet van bevragingen en leerlingvolgsystemen die de privacy van minderjarigen respecteren, en bij het verweer tegen een boete van de GBA voor het Marktenhof.



