Veel exploitanten van hotels of B&B’s worstelen met de vraag of zij vergoedingen moeten betalen aan beheersvennootschappen (zoals Sabam) voor kamers die niet verhuurd zijn. In een arrest van 18 december 2025 (C-161/24) schept het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) duidelijkheid. Hoewel het louter plaatsen van een televisie in een hotelkamer een auteursrechtelijke handeling blijft, oordeelt het Hof dat het negeren van de bezettingsgraad bij de prijszetting onder bepaalde voorwaarden misbruik van machtspositie kan vormen.
De feiten en juridische context
De zaak vindt zijn oorsprong in Tsjechië, waar de beheersvennootschap OSA (de tegenhanger van SABAM in België) auteursrechtelijke vergoedingen inde voor het beschikbaar stellen van televisies en radio’s in hotels.
OSA rekende een vast bedrag per kamer aan, ongeacht of die kamer daadwerkelijk verhuurd was of leegstond. De Tsjechische mededingingsautoriteit oordeelde dat dit praktijk misbruik van machtspositie vormde, aangezien er betaald moest worden voor een dienst die in lege kamers feitelijk niet geconsumeerd werd door een publiek. OSA vocht deze beslissing aan en stelde dat het auteursrecht verschuldigd is voor de loutere beschikbaarstelling van de werken, ongeacht of de klant de TV aanzet of niet.
De nationale rechter stelde daarop prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU om te verduidelijken of dergelijke forfaitaire tarieven in strijd zijn met artikel 102 VWEU (verbod op misbruik van machtspositie).
De beslissing van het Hof van Justitie
Het Hof van Justitie deed op 18 december 2025 uitspraak en bracht een belangrijke nuance aan in het voordeel van de horeca-uitbaters.
Het Hof bevestigt eerst haar vaste rechtspraak: het plaatsen van televisies en radio’s in hotelkamers is een “mededeling aan het publiek”. Het maakt daarbij juridisch niet uit of de gast de televisie daadwerkelijk aanzet. De dienstverlening van het hotel (en de auteursrechtelijke licentie) bestaat uit het bieden van de mogelijkheid om te kijken.
Hoewel er dus een auteursrechtelijke vergoeding verschuldigd is, mag de prijs ervan niet buitensporig zijn. Het Hof stelt dat de bezettingsgraad van een hotel wel degelijk relevant is om de economische waarde van het gebruik te bepalen. De economische waarde van de dienst hangt samen met het daadwerkelijke aantal personen dat van de werken gebruikmaakt. Het is daarom in beginsel niet aanvaardbaar dat er geen rekening wordt gehouden met kamers die niet toegankelijk zijn of leegstaan.
Specifiek stelt het Hof:
“Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat de door OSA toegepaste methode voor de berekening van de vergoedingen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de bezettingsgraad van de hotels, moet worden aangemerkt als misbruik in de zin van artikel 102 VWEU.”
Het Hof formuleert de beslissende toets als volgt:
“Indien een methode voor de berekening van de vergoedingen waarbij rekening wordt gehouden met deze bezettingsgraad, kan worden gebruikt tegen redelijke kosten en dit een aanzienlijke verlaging van het bedrag van de vergoedingen met zich meebrengt, kan het gebruik van de huidige methode […] worden geacht tot onbillijke prijzen te leiden.”
Er is dus ter één belangrijke uitzondering: als het technisch te moeilijk of financieel onredelijk zwaar is om de exacte bezetting bij te houden, mag een forfait worden gehanteerd. De kosten voor het toezicht en beheer mogen niet onevenredig stijgen.
Juridische analyse en duiding
Dit arrest is een bevestiging van een bredere trend in het Europese mededingingsrecht: de bescherming van de afnemer tegen de rigide machtspositie van beheersvennootschappen.
1. Wat is de economische waarde?
De basis van dit arrest is de klassieke United Brands-test (Zaak 27/76). Deze test bepaalt wanneer een prijs “onbillijk” of “excessief” is in de zin van het mededingingsrecht. De kernvraag van deze test luidt: Staat de gevraagde prijs in een redelijke verhouding tot de economische waarde van de geleverde prestatie?
De discussie in deze zaak draaide volledig om de invulling van die “economische waarde”:
- De visie van de Advocaat-Generaal (de “capaciteitsvisie”): De AG bepleitte dat de economische waarde van de licentie zit in de loutere mogelijkheid tot kijken. De bezettingsgraad was volgens hem irrelevant voor de kwalificatie van de prijs, omdat de “beschikbaarstelling” de dienst is. Zodra de TV er staat, is de dienst geleverd. In die optiek is een forfaitair tarief (op basis van capaciteit) perfect in lijn met United Brands.
- De correctie door het Hof (de “realiteitsvisie”): Het Hof past eveneens de United Brands-toets toe, maar vult “economische waarde” anders in. Het Hof oordeelt dat bij een auteursrechtelijke licentie de waarde niet louter in de beschikbaarstelling zit, maar afhangt van het daadwerkelijke aantal personen dat van de werken kan genieten. Een prijs die geen rekening houdt met leegstand, staat dus niet in redelijke verhouding tot de economische waarde en faalt voor de United Brands-test.
2. De bevestiging van de “SABAM-doctrine”
Om die economische waarde concreet te maken, grijpt het Hof terug naar de principes uit het eerdere arrest SABAM (C-372/19) en past deze nu ook toe op de hotelsector. Deze doctrine fungeert nu als de praktische handleiding voor de United Brands-test in de auteursrechtsector.
Beheersvennootschappen mogen werken met forfaitaire tarieven (vaste bedragen) omwille van efficiëntie, maar dit mag niet leiden tot onbillijke uitkomsten. De regel is nu als volgt: indien er een methode bestaat (zoals het rapporteren van bezettingscijfers) die het daadwerkelijke gebruik nauwkeuriger weerspiegelt dan een forfait, én deze methode zorgt niet voor een onevenredige stijging van de beheerskosten, dan is het negeren van die methode een indicatie van misbruik van machtspositie.
3. De rol van technologie en bewijslast
Een opvallend modern element in dit arrest is de verwijzing naar technologie. Het Hof stelt dat de nationale rechter bij zijn beoordeling rekening moet houden met de “beschikbaarheid en betrouwbaarheid van gegevens” en de “bestaande technologische hulpmiddelen”.
Dit is van groot strategisch belang. Waar beheersvennootschappen vroeger konden argumenteren dat het verwerken van variabele gegevens administratief te zwaar was (“teveel papierwerk”), is dat argument in tijden van geautomatiseerde Property Management Systems (PMS) nauwelijks nog houdbaar. Als een hotelier met één druk op de knop een betrouwbaar bezettingsrapport kan genereren, kan de beheersvennootschap dit redelijkerwijs niet weigeren zonder zich schuldig te maken aan onbillijke prijszetting.
4. Impact op de interne markt
Tot slot bevestigt het Hof dat dergelijke lokale tariefgeschillen wel degelijk onder het Europese recht vallen (artikel 102 VWEU). Omdat beheersvennootschappen (zoals OSA in Tsjechië of SABAM in België) ook de rechten van buitenlandse artiesten beheren en licenties verlenen aan hotels die internationale gasten ontvangen, wordt de handel tussen lidstaten beïnvloed. Dit opent de deur voor Belgische rechters om deze Europese rechtspraak rechtstreeks toe te passen.
Wat dit concreet betekent voor uw onderneming
Deze uitspraak heeft directe gevolgen voor hotels, B&B’s en andere logiesverstrekkers in België, alsook voor hun relatie met organisaties zoals SABAM, PlayRight en SIMIM (=Unisono).
- Voor Hotelexploitanten: Betaalt u momenteel een vast forfait per kamer, ongeacht of deze leegstaat? Dit arrest biedt een sterke juridische basis om deze tariefstructuur aan te vechten of te heronderhandelen, zeker als u over een digitaal systeem beschikt (PMS) dat eenvoudig bezettingsrapporten kan genereren. Indien een herberekening op basis van werkelijk gebruik uw factuur aanzienlijk zou verlagen, is de huidige prijszetting mogelijk “onbillijk” in de zin van het mededingingsrecht.
- Voor Beheersvennootschappen: Het negeren van beschikbare data over werkelijk gebruik wordt risicovoller. Tariefstructuren (zoals Tarief 114 van Sabam) moeten de economische realiteit (de waarde van het gebruik) weerspiegelen. De verdediging dat het tellen van bezetting “te duur” of “te complex” is, zal in het digitale tijdperk minder snel standhouden bij de rechter.
- Voor de contractpraktijk: Bij het opstellen van licentieovereenkomsten moet voortaan een clausule overwogen worden die voorziet in periodieke aanpassingen op basis van objectieve bezettingscijfers, om inbreuken op het mededingingsrecht te vermijden.
FAQ: Veelgestelde Vragen
Mag een beheersvennootschap mij laten betalen voor lege hotelkamers?
Niet noodzakelijk. Hoewel auteursrechten verschuldigd zijn voor het beschikbaar stellen van werken, kan het negeren van de bezettingsgraad misbruik van machtspositie zijn als u eenvoudig uw bezetting kunt aantonen en dit tot een lagere prijs zou leiden.
Moet ik auteursrechten betalen als mijn hotel gesloten is voor renovatie?
Volgens dit arrest in principe niet. Het Hof stelt expliciet dat het niet aanvaardbaar is vergoedingen te vorderen voor kamers die niet toegankelijk zijn door renovatie of seizoenssluiting.
Moet ik bewijzen dat mijn hotelgasten geen tv hebben gekeken?
Nee, dat is niet relevant. Het gaat erom of de kamer verhuurd was. Als de kamer bezet is, is er sprake van een “publiek”, ongeacht of de gast de tv aanzet. Voor niet-verhuurde kamers is er geen publiek aanwezig dat waarde genereert voor het hotel.
Wanneer is een prijs “te hoog” of onbillijk volgens dit arrest?
Een prijs is onbillijk als hij in wanverhouding staat tot de economische waarde van de dienst. Het Hof stelt dat dit het geval kan zijn als een berekening op basis van werkelijke bezetting (tegen redelijke administratieve kosten) een aanzienlijk lager tarief zou opleveren dan het huidige forfait.
Kan ik teveel betaalde auteursrechten terugvorderen?
Indien vaststaat dat de gehanteerde tarieven misbruik van machtspositie uitmaken, zijn deze onverschuldigd betaald. De terugvordering is echter afhankelijk van verjaringstermijnen en u moet kunnen bewijzen wat de bezettingsgraad was in de betwiste periodes.
Geldt dit arrest ook voor muziek in de lobby of het restaurant?
Nee, dit arrest focust specifiek op het privégebruik in hotelkamers waar de bezettingsgraad direct bepaalt of er een publiek is. Voor algemene ruimtes (lobby, bar) is er steeds een publiek aanwezig zolang de zaak open is.
Conclusie
Het arrest C-161/24 van het Hof van Justitie is een overwinning voor de nuance. Hoewel collectief beheer van auteursrechten noodzakelijk is, mag het monopolie van beheersvennootschappen niet leiden tot tarieven die losgezongen zijn van de economische realiteit van de hotelier. Lege kamers kijken geen tv, en de factuur zou dat moeten weerspiegelen, mits dit administratief haalbaar is. Voor de Belgische markt betekent dit dat forfaitaire tarieven die geen rekening houden met werkelijke bezetting onder druk komen te staan.



