Mag de Gegevensbeschermingsautoriteit haar eigen spelregels bepalen?

In een arrest van 18 december 2025 (nr. 119/2025) heeft het Grondwettelijk Hof de grenzen van de regelgevende autonomie van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) aangescherpt. Hoewel de GBA als onafhankelijke toezichthouder een cruciale rol speelt in de bescherming van onze persoonsgegevens, oordeelt het Hof dat zij niet volledig vrij is om haar eigen procedurele regels vast te stellen. De wetgever moet de essentiële krijtlijnen zelf uittekenen, zeker wanneer de rechten van burgers op het spel staan.

De feiten en de juridische context

De zaak vindt haar oorsprong in een wet van 25 december 2023 die de werking en onafhankelijkheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) moest versterken. De GBA is de Belgische toezichthouder die, in het kader van de Europese Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), waakt over de correcte verwerking van onze persoonsgegevens.

De nieuwe wet gaf de GBA de bevoegdheid om in een reglement van interne orde zelf “aanvullende procedurele regels” op te stellen. Dit omvatte cruciale aspecten zoals de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een klacht, de seponering van een dossier, de positie van de klager en zelfs het taalgebruik. De vzw Ligue des droits humains trok tegen deze verregaande delegatie van bevoegdheden naar het Grondwettelijk Hof, omdat zij vreesde voor een uitholling van de rechtsbescherming van de burger.

De beslissing van het Grondwettelijk Hof

Het Hof volgt de redenering van de verzoekende partij grotendeels en vernietigt een belangrijk onderdeel van de wet.

De kern van het arrest draait om het wettigheidsbeginsel, verankerd in artikel 22 van de Grondwet, dat het recht op eerbiediging van het privéleven beschermt. Het Hof stelt dat wanneer dit fundamentele recht in het geding is, de wetgever zélf de “essentiële elementen” van de regeling moet vaststellen. Deze kerntaak mag niet zomaar worden overgelaten aan een onafhankelijke administratieve overheid, hoe gespecialiseerd ook.

Concreet oordeelt het Hof dat de wetgever te vaag is gebleven en de essentiële elementen niet heeft vastgelegd voor onderwerpen als:

  • De ontvankelijkheid van een klacht of een melding.
  • De bemiddelingsprocedure.
  • De mogelijkheid om een zaak zonder gevolg te klasseren (seponering) en op basis van opportuniteitsoverwegingen te beslissen.
  • De precieze positie van de klager en de verweermiddelen die hij kan aanvoeren.
  • De regels rond het taalgebruik in de procedures.
  • De opvolging en naleving van de door de GBA opgelegde maatregelen.

Door deze bevoegdheden aan de GBA over te laten zonder duidelijke wettelijke basis, heeft de wetgever het wettigheidsbeginsel geschonden. Om chaos en rechtsonzekerheid te vermijden, handhaaft het Hof wel de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot de wetgever een nieuwe, correcte wet heeft uitgewerkt, met als uiterste datum 31 december 2026.

Andere klachten, zoals die tegen de verkorte termijnen voor het geven van adviezen door de GBA of de mogelijkheid om een beroep te doen op externe deskundigen, werden door het Hof wel verworpen.

Juridische analyse en duiding

Dit arrest is een schoolvoorbeeld van de spanning tussen functionele decentralisatie en het wettigheidsbeginsel. Enerzijds is het logisch en zelfs noodzakelijk dat een hoogtechnische materie als gegevensbescherming wordt overzien door een gespecialiseerd en onafhankelijk orgaan als de GBA. De AVG vereist dit ook. Anderzijds herinnert het Grondwettelijk Hof eraan dat die onafhankelijkheid geen vrijgeleide is om de fundamenten van onze rechtsstaat te negeren.

De democratisch verkozen wetgever blijft de hoeder van de fundamentele rechten. Wanneer regels een rechtstreekse impact hebben op de rechten van burgers – zoals de mogelijkheid om een klacht in te dienen en behandeld te zien – moeten de basisprincipes in een wet worden gegoten. Het vastleggen van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een klacht is geen louter technisch detail van interne organisatie; het bepaalt de toegang tot een effectief rechtsmiddel voor de burger.

Het Hof bevestigt hiermee de cruciale rol van de Raad van State, afdeling Wetgeving, die in haar advies vooraf al had gewaarschuwd voor deze problematische bevoegdheidsdelegatie. Het arrest onderstreept dat de wetgever dergelijke waarschuwingen niet zomaar naast zich neer kan leggen. De uitspraak toont aan dat hoewel de AVG een kader schept, de implementatie ervan in het Belgische recht steeds moet gebeuren met respect voor de nationale grondwettelijke principes, zoals de voorrang van de wet.

Wat dit concreet betekent

  • Voor de burger en organisaties: Op termijn leidt dit arrest tot meer rechtszekerheid. De voorwaarden en procedures om een klacht in te dienen bij de GBA zullen duidelijker in de wet zelf verankerd moeten worden. Dit versterkt de positie van de klager en maakt de procedure voorspelbaarder en transparanter.
  • Voor de Gegevensbeschermingsautoriteit: De GBA ziet haar regelgevende autonomie ingeperkt. Ze zal moeten wachten op een nieuw wettelijk kader om de vernietigde procedurele aspecten te regelen. Haar kerntaken als toezichthouder blijven ongewijzigd, maar de manier waarop ze procedures organiseert, zal sterker door de wet worden gestuurd.
  • Voor de wetgever: Het Parlement krijgt de duidelijke opdracht om zijn werk opnieuw te doen. Het moet een nieuwe wet opstellen die de “essentiële elementen” van de GBA-procedures wél gedetailleerd vastlegt. Dit is een belangrijke les over de grenzen van het delegeren van regelgevende macht aan onafhankelijke agentschappen.

FAQ (Veelgestelde Vragen)

Wat is het wettigheidsbeginsel in artikel 22 van de Grondwet?
Dit beginsel houdt in dat inmengingen in het recht op privéleven (waaronder de bescherming van persoonsgegevens) enkel toegestaan zijn als ze gebaseerd zijn op een voldoende duidelijke en toegankelijke wet. De wetgever moet zelf de basisregels vastleggen en kan dit niet volledig overlaten aan een andere instantie.

Verandert er onmiddellijk iets aan de procedures bij de GBA door dit arrest?
Nee, niet onmiddellijk. Het Grondwettelijk Hof heeft de gevolgen van de vernietigde regels tijdelijk gehandhaafd tot uiterlijk 31 december 2026. Dit geeft de wetgever de tijd om een nieuwe wet te maken en voorkomt een juridisch vacuüm. Lopende en nieuwe procedures kunnen dus voorlopig doorgaan volgens de bestaande regels.

Waarom mag de GBA niet volledig autonoom haar eigen regels opstellen?
Omdat de GBA, hoewel onafhankelijk, deel uitmaakt van de uitvoerende macht en gebonden is door de Grondwet. De Grondwet schrijft voor dat de essentiële regels die de rechten van burgers raken, moeten worden vastgesteld door de democratisch verkozen wetgevende macht (het Parlement). Dit is een fundamentele waarborg in onze rechtsstaat.

Conclusie

Het arrest 119/2025 van het Grondwettelijk Hof is een belangrijke herinnering aan de hiërarchie der normen in België. Het bevestigt dat de efficiëntie en specialisatie van een onafhankelijke autoriteit zoals de GBA niet mogen primeren op de fundamentele rechtswaarborgen voor de burger. De bal ligt nu in het kamp van de wetgever om een evenwichtig en grondwettelijk solide kader te creëren voor de procedures bij onze gegevenswaakhond.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics